Gedichten

KRUISWOORD Ik zit aan tafelmet een puzzel.Verder alleen maarstilte. Met niks erin.En de geur van koffie.Letters vallen op huntijd op hun plek. Een deel van een kachelis een asla. En eensklapszit ik weer in oma’s keuken.Ook de stilte maar danmet een wolkje. De koffie op de stoof met de geur van allang enaltijd zo.
TÊTE À TÊTE Zo zitten wijtegenover elkaar.We krijgen geen hapdoor de keel en ookgeen woord. Wat we altijd hadden gewetente zullen gaan zeggen blijfthalverwege steken, terhoogte van onze ogen. Met onze blikkenlikken we elkaarswonden. We vindenlekker wat nog oponze borden ligt. Zo overlappenlangzaamonze leegtes.
HEKSENKRING
Ik kwam te laatze waren weg.Het vuur gedoofdde lach verstomdde dans gedanst.
Wat bleef waseen zweem, een zucht, een zacht gerucht. En etensresten voor wie zich bukt.
QUARANTAINE
De klok rees niet goed. Het was te laat. Te taai. De wijzers rond. De geur van broodvoor de deurdrong amper door. De klok zoog. Als drijfzand sijpelde de tijd de loper door. Het brood op de stoep.De stroop aan het mesde kruimels erin. Ik proefde metaalvan mes en stroop enwijzers die dropen.
NACHTELIJKE FIETSTOCHT
Wij waren jong, het was al donker.Van licht naar licht fietsten wij.
Jij zag hem ’t eerst. We vlogen in de remmen en vielen op de knieën.
Een egeltje! Zo lief en stekelig,zo teken van pril!
Het egeltje had haast. Toen zagen wij pas de halfvergane merel. Gretig viel egel aan. Wij vielen stil.
Stil fietsten wij om het hardst. Bij elke lantaarn haalden onze schaduwen ons in.