De een vraagt:
wanneer is leven geen leven meer?
De ander wijst hem aan:
dit kan ontbreken (rechtvaardigheid)
en dit (schoonheid)
en dit (vrede) ...
       wijst overal om zich heen
... en dan nóg is het leven.

De zon schijnt,
er zijn mieren en madeliefjes en kleine zwarte vliegjes,
en er zijn distels en klitten,
en in de verte de zee die glinstert en schittert.

En radeloosheid, vraagt de een,
kan dat ook ontbreken?

Toon Tellegen