Ik wou wel weer een beetje ziek zijn,
en dat je dan een hete kop melk
met rum klaarmaakte voor elk

van mij, voor de kleine weemoedige
en de grote overmoedige, en wat ik maar wou wezen,
en dat ik dan nooit meer hoefde te genezen.

Je kon het altijd uitleggen:
je legde het terug in mij.
Ik moest slechts ogen sluiten om te zien.

Hoe je er niet meer bent.
Hoe veel plaats er is.
Hoeveel minder verdriet.

Je huid doorschijnend als een glas
dat je tot de bodem hebt uitgedroken:
jezelf. En ik, die er niet was

om je handen, los te laten, vingers tien,
toen je ver was, zo heel, heel ver.
En om ze te hebben vastgehouden, net voordien.

Herman de Coninck